Gedichten

  • Icecream

    Never thought that things could ever change
    Because they were so eternally great
    Who cares as long joy comes in tidal waves?
    Who cares to be on time when you’re never too late?
    But somehow the watches came about
    And every word’s become just a plain second on the clock

    Our love’s like
    Icecream in the sand
    A burned out whale
    Washed up on land
    It’s like a million miles off friend
    In the darkest hour

    Who wants an instance of how reality
    Is transfigured by the beholders eye
    Take a look at the lips you once loved kissing you
    See the lumps of dinner- residue fly

    The air we share smells like a sick old rose
    And every heavy step - the map confirms – is leading downhill

    Our love’s like
    Icecream in the sand
    A burned out whale
    Washed up on land
    It’s a million miles- off friend
    In the darkest hour
  • Over de grens


    Het is geen hek
    Maar meer een kader
    het is geen bedding
    maar meer een ader

    Het is geen muur
    maar meer een scheiding
    Het is geen gezicht
    Maar meer een wijding

    Tussen jou en mij bevindt zich altijd huid
    Ik zou zo graag versmelten.

    Het is geen kloof
    Al bakent het wel af
    Het is geen slagboom
    al kan het op en neer.

    Het laat zich wel passeren
    Zonder veel formaliteiten
    Het kan ook zwaar blokkeren
    dan kun je niet meer schijten

    Het is geen wand
    het is wel semi-permeabel
    Het is geen brug
    Het verbindt wel twee extremen

    Het ongehekte is mij lief.
  • Hypochonder

    Op maandag denk ik kanker
    op dinsdag denk ik hartaanval
    op woensdag, hersenbloeding
    op donderdag, dan denk ik niet
    vrijdags kan van alles zijn.
    Al lijkt ’t onverzoenlijk,
    ‘t is allemaal zo aandoenlijk,
    want alle gedachten, allemaal
    zijn zo verdomde terminaal.

    ’t Is geen wonder, geen wonder, geen wonder, ik ben een onverbeterlijke hypochonder.

    De weekends breken aan
    De drank vloeit immer rijkelijk
    Geen zorgen meer voortaan
    zelfs roken lijkt profijtelijk.
    En op het toppunt van de euforie
    krijg ik een pijnscheut in mijn knie.
    De diagnose onverbiddelijk,
    amputatie en wel onmiddelijk.
    De stomp zal gaan ontsteken
    en daarna volgt necrose,
    nog maximaal twee weken
    is denk ik mijn prognose.

    ‘t is geen wonder, geen wonder, geen wonder, ik ben een onverbeterlijke hypochonder.

    Een nieuwe week begint
    ik mijmer over ’t leven
    meteen komt de gedachte op:
    ’t duurt écht maar heel even.
    Als ik straks ga slapen
    word ik zeker niet meer wakker
    Verrek mijn kaken bij het gapen
    wat ben ik toch een stakker.
    Epileptisch angstsyndroom
    ik spring zwetend uit mijn stoel
    Die moedervlek een melanoom
    in mijn vinger geen gevoel.
    Kriebel in een been,
    zie je wel trombose,
    eenzaam en alleen
    een rillende psychose.
    Een heel klein beetje pijn
    wordt zeker ongeneselijk
    een druppel bloed is dodelijk
    een griepje kan het einde zijn……..

    ‘t is geen wonder, geen wonder, geen wonder, ik ben een onverbeterlijke hypochonder.
  • Evolutie

    Zij licht haar bolle schedel
    Om zich in de strijd te mengen.
    Onthult een glibberend slangenest
    Van lange, natte navelstrengen.
    Vandaar ook in haar linkerknuist
    Die enorme hegge- schaar.
    Daarmee knipt ze Voorvaders
    En nakomelingen van elkaar.

    Het hemd omklemt haar uitdijende romp
    Ze tuurt naar de bedrading en vloekt hard binnensmonds
    Wat zijn in deze verwarring de aders van wijsheid en geluk
    En welke strengen de doorvoer van angst en onbenul?

    Maar geknipt moet er worden.
    Anders was de aarde nog altijd plat
    Het paradijs voor eeuwig verandert
    In een troosteloos verlaten gat.

    Dus transpireert ze als een commando
    Van de Explosieve Opruimingsdienst
    Knipt naar hoe ze gelooft
    En fluistert soms “tot ziens”.

    Inmiddels heeft ze haar schedel gesloten.
    Een krans rode druppels om haar hoofd.
    En wiegt ze met een hoopvol dansen
    Het kind in haar schoot dat komt.
  • Loom Land

    Het lome land wil niet betreden worden,
    het lome land wil rust.
    Het lome land wil niet doorsneden worden
    door ploegen, wegen, waterstromen,
    het lome land wil dromen.
    Het lome land wil branden in de zon
    en drinken van de regen,
    huiveren in winterkou
    en voorjaarsbloesems wegen.
    Het lome land wil niet belopen worden
    door paardenhoef of mensenvoet.
    Het lome land wil golven van zichzelf.
    Omhoog, omlaag uit vrije wil.
    Niet afgegraven worden
    door boer of werkman, rijke luis
    en huizen moeten dragen.
    Of torens, bruggen, staalgeweld,
    het lome land ontvelt.

    Het lome land wil niet geteisterd worden
    door gif en vuil en industrie.
    Het lome land wil niet gepleisterd worden
    het lome land heeft allergie
    voor tempo en vooruitgang,
    voor ontwikkeling en dwang.

    Van berg tot bos, van meer tot kust
    het lome land wil rust.
  • Dochter

    Wiegend
    Ligt je kruin in mijn
    Nekholte
    Als Bond’s Barretta
    In zijn hand

    Met een vaart
    Van 200 mijl
    Skiet mijn hart
    Door een bobsleebaan

    En duikt onkwetsbaar
    In een ijskoud ravijn.

    Want Engeltje
    Jij hebt vleugels

    En ik jouw
    Warme fles.
  • Verschijning

    Ze stonden op de top
    Van een hoge berg.
    Een leger, duizend man,
    De maarschalk en de dwerg.
    Hun pik stonk naar verkrachting
    Hun zwaard was rood bebloed
    De buik was volgevreten
    Van dit duivelse gebroed.
    Hun grote rotte tanden
    Blonken in de lucht
    Was dit de dwaze vrouw
    Waarover het gerucht?
    Zij stond daar in het dal
    Sereen en onbewogen
    Een sluier voor haar aangezicht
    Het hoofd lichtjes gebogen.

    De honden vielen aan
    Daar zij geen genade kenden.
    Maar hun ogen vielen uit
    Terwijl ze naar beneden renden
    Het gebroed dat werd verteerd
    In de eigen lelijkheid
    Gejank, gesis, pijn
    Het ogenblik een eeuwigheid.

    Met een simpel gebaar van gerechtigheid
    Had zij de sluier opgelicht.
    Het hele leger werd verpletterd
    Door de schoonheid van haar aangezicht.
  • N8, n8 alweer

    N8, n8 alweer.
    Ik waak, alweer.
    Buiten is het stil, ik ben buiten,
    buiten mijzelf, zo lijkt het.
    Mijn huig klappert als een zeil,
    ik lach wat tanden uit mijn kaken.
    Dan weer, stil.

    Ik loop op gras, op spitsroeden,
    er klimt asfalt op mijn voeten, nee,
    zand, of toch, of wat, nee, zand, of…

    Daar gaan de spoorbomen dicht.
    Stap stokt.
    Bril af.
    Ik heb geen bril, of toch,
    bril af.
    Er doemen drie lichtjes op.
    De nachtelijk navigatie van een locomotief ! Of niet… of wat.. nee…

    Drie oude vrouwtjes met kaarsjes,
    lopen over de spoorrails.
    Ze zingen madrigalen.
    Maar dat klinkt mooi in zo’n inktzwarte hartstochtelijke nacht.
    Ik doe eindelijk mijn ogen dicht.
    En luister, nee slaap, of toch, of wat, of waak, nee…
    Luister nauwkeurig. Nu. Hoort !
    Een akelige rasp,
    één van de drie stemmen VALS,
    en raspt.

    En dan kabaal
    Vrouwtjes slaan collega neer
    met zangboek.

    Daar ligt ze,
    bloedend in haar kunstgebit.
    Korset aan rafels.
    Het Andreaskruis als stalen wachter.
    Stil,
    het was stil,
    het is,
    stil.
    N8, n8 alweer.